Veel gestelde vragen ontwikkeling LOP-traject
De veelgestelde vragen én antwoorden vind je hier. De veelgestelde vragen wordt regelmatig bijgewerkt op basis van de vragen die we krijgen.
De veelgestelde vragen én antwoorden vind je hier. De veelgestelde vragen wordt regelmatig bijgewerkt op basis van de vragen die we krijgen.
Hoe moet de modulaire opbouw van het instituutsonderwijs worden geïnterpreteerd?
Een aantal begrippen op blz. 20 van het LOP over de opbouw en inhoud van het onderwijs bij het opleidingsinstituut roept vragen op. Hier is nadere duiding nodig, omdat de definitie invloed heeft op de implementatie. Wat is modulair opgebouwd en hoe zou dit ruimte moeten geven voor differentiatie en keuze?
Een module is in het LOP (begrippenlijst, bijlage 6) ’een in tijd en inhoud omschreven onderdeel van de opleiding waaraan competenties en vaste beoordelingsmomenten zijn verbonden’. Modulair betekent dus dat het onderwijs is opgebouwd uit afgebakende eenheden, elk met eigen inhoud, gekoppelde competenties/kernactiviteiten en een afsluitende toets of opdracht.In tegenstelling tot een volledig doorlopende, lineair opgebouwde leerlijn, waarbij onderwijsactiviteiten sterk van elkaar afhankelijk zijn en volgens een vaste planning moeten worden gevolgd, kunnen modules afzonderlijk worden gevolgd en afgerond. Hierdoor ontstaat meer flexibiliteit voor individuele leertrajecten, bijvoorbeeld bij uitval, een afwijkend opleidingstempo of erkenning van eerder verworven competenties (EVC), zonder dat een volledige leerlijn opnieuw hoeft te worden doorlopen.
Differentiatie ontstaat op verschillende manieren: via de vrije ruimte (20% keuze in de eerste fase, 20% in de tweede fase), en via volgorde en tempo, afgestemd op de individuele leerroute en eventuele vrijstellingen (EVC). De aios legt dit vast in het IOP.
Hoe moet de modulaire opbouw van het onderwijs worden geïnterpreteerd?
Wat wordt verstaan onder ‘modules’ in instituutsonderwijs?
Wat wordt verstaan onder ‘modules’, en wat betekent dat praktisch?
Zie de definitie hierboven. Instituutsmodules zijn opgebouwd rondom de kerntaken en kernactiviteiten en geïntegreerd met praktijksituaties; elke module heeft toetsbare leeruitkomsten en sluit af met een toets ofopdracht. Praktisch betekent dit dat het instituutsonderwijs niet uitsluitend bestaat uit één doorlopende leerlijn, maar uit een samenhangend aanbod van modules die op verschillende momenten kunnen worden gevolgd. Hierdoor kan het onderwijs beter aansluiten bij de individuele ontwikkeldoelen, leerbehoeften en het opleidingstraject van de aios, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor keuze, maatwerk, een aangepast tempo of vrijstellingen (EVC). De concrete invulling, planning en samenhang van de modules worden door het opleidingsinstituut uitgewerkt binnen de kaders van het LOP.
Doordat modules afzonderlijk kunnen worden gevolgd en afgerond, kunnen individuele leertrajecten beter worden ondersteund, zonder dat bij bijvoorbeeld uitval een volledige onderwijslijn of een groot deel daarvan opnieuw hoeft te worden doorlopen.
Wat wordt bedoeld met ‘gezamenlijk’ bij de 30% generieke inhoud van de profielopleiding?
Wat is ‘gezamenlijk’ bij de 30% generieke inhoud? (met andere aiossen van TNO of met andere JGZ aiossen van NSPOH of met andere profielen?)
Het LOP stuurt hier op de inhoud (publieke gezondheid, wetenschappelijke ontwikkeling, bestuur en organisatie, en persoonlijke/professionele ontwikkeling), maar schrijft de samenstelling van de groep niet voor. De bedoeling is profieloverstijgend waar mogelijk: het LOP benadrukt de opleiding als één samenhangende opleiding met ruimte voor profielspecifieke invulling. Of dat binnen jullie eigen profielen gebeurt of instituut-overstijgend, is een organisatorische keuze. Bij een instituut met alleen JGZ-aios zal ‘gezamenlijk’ in de praktijk al snel met de eigen JGZ-aios zijn; een breder samengesteld instituut kan het profieloverstijgend organiseren. Ons voorstel: beschrijf per instituut hoe jullie dit invullen.
Wat zijn interprofessionele leeractiviteiten?
Hier is het goed om scherp te zijn, omdat het LOP de term niet strak definieert. In de zuivere betekenis gaat interprofessioneel over leren mét, ván en óver andere beroepsgroepen: denk aan jeugdverpleegkundigen, sociaal werkers, epidemiologen, beleidsmedewerkers of juristen – de netwerkpartners uit hoofdstuk 1. Samen leren met aios van andere M+G-profielen (allemaal artsen) of met andere geneeskundige vervolgopleidingen valt daar strikt genomen niet onder – dat is profieloverstijgend respectievelijk intercollegiaal – al moedigt het LOP beide wel aan. Ons voorstel is om één werkdefinitie te hanteren: ‘een leeractiviteit waarin de aios samenwerkt met professionals uit verschillende beroepsgroepen en leert met minimaal één andere beroepsgroep dan de eigen’, zodat de instituten hetzelfde bedoelen.